Vuistregels voor het Engelse werkwoordensysteem

A. Spellingsperikelen

1. Een <l> op het einde van een werkwoordsstam verdubbelt altijd voor <ed> en <ing> ALS er maar één klinker voorafgaat:

dus travel: travelled, travelling, have travelled 

maar appeal: appealed, appealing, have appealed

2. Een eindmedeklinker van een werkwoord die uit één lettergreep bestaat, verdubbelt altijd voor <ed> en <ing> ALS er maar één klinker voorafgaat:

dus stop: stopped, stopping, have stopped

maar: seem: seemed, seeming, have seemed

3. Een eindmedeklinker van een werkwoord die uit meer dan één lettergreep bestaat, verdubbelt altijd voor <ed> en <ing> ALS er maar één klinker voorafgaat EN ALS de klemtoon op de laatste lettergreep ligt:

dus re’fer: referred, referring, have referred

maar de’velop: developed, developing, developed

4. Een <y> verandert voor een <s> in <ies> en voor <ed> in <ied> ALS er maar één klinker voorafgaat.  Merk op dat de <y> ongewijzigd blijft voor <ing>.

dus try: she tries, tried, trying, have tried      en ook a spy: (meervoud) spies

maar play: he plays, played, playing, have played        en ook a play: (meervoud) plays

5. Als een werkwoord op <e> eindigt, dan valt die <e> weg voor <ing> en <ed>.

dus love: he loves, loved, loving, have loved

 

B. Negatief maken

Om een zin negatief te maken moet je <not> toevoegen aan het hulpwerkwoord.  Als er al een hulpwerkwoord (voor opsomming zie pag. 2 en 3) staat, gebruik je dat.  Staat er geen hulpwerkwoord (in de Simple Present en Simple Past), dan moet je er één toevoegen:

- voor de Simple Present is dat do / does (in de derde persoon) + infinitief

- voor de Simple Past is dat did + infinitief

Sommige hulpwerkwoorden hebben ook andere hulpwerkwoorden nodig:

bv.       - You must answer.                Þ             You don’t have to answer.

            - You need to answer.             Þ            You don’t need to answer.

            - You used to live here.    Þ             You didn’t use to live here.

            - You have to stay.                 Þ            You don’t have to stay.

C. Vragen stellen

Je plaatst het hulpwerkwoord (in zinnen die niet met een vraagwoord beginnen) voor het onderwerp.  Om het hulpwerkwoord te vinden zie B.