|
|||
|
|
Een kwestie van smaakReactie op het Gedichtendagessay 2010 van Charles DucalKinderen culinair opvoeden is niet gemakkelijk, zeker mijn zonen niet. Als je kinderen en zeker tieners zou laten doen, zouden de meesten niks anders eten dan chips, frieten, hamburgers, frikadellen, en alles wat maar ongezond en enigszins lekker is. Zonder opvoeding wacht mijn nageslacht obesitas, diabetes en een pijnlijke, vroegtijdige dood. Als goede huisvader probeer ik mijn drie zonen dan steeds van alles eens te laten proeven. Ze moeten niet een vol bord met dampende spruitjes leeg eten zoals ik dat van mijn eigen vader moest doen, maar dan maar twee spruitjes proeven of één stukje witlof in plaats van een hele schotel. Soms moet je ze ook leren een gerecht te eten: scampi’s pel je zo, een vis moet je zo fileren, ketchup past niet bij alles, enzovoort. Op die manier leer ik mijn kinderen niet alleen alle smaken kennen, maar bovenal open te staan voor andere smaken. Wat ik echter mijn kinderen nooit zal opleggen, is dat ze iets lekker moeten vinden. Nee, ze moeten de houding hebben om alles zonder vooroordelen te proeven, maar ik vind niet dat ik het recht heb om hen te dwingen om wat ik lekker vind, ook lekker te vinden. Smaak moet je ontwikkelen, maar wat je lievelingsgerecht wordt, is een kwestie van persoonlijke smaak. Als ik poëzie in de klas geef, ga ik eigenlijk op dezelfde wijze te werk. Ik wil dat mijn leerlingen van alle soorten poëzie eens proeven. Soms moet ik ze wel technieken leren om bepaalde gedichten te kunnen lezen. Zonder een associatieve leestechniek kun je met een modernistisch gedicht bijvoorbeeld niet veel zinnigs aanvangen. Op die manier hoop ik dat mijn leerlingen zonder vooroordelen ook later van poëzie kunnen proeven, maar opnieuw vind ik niet dat ik het recht heb om mijn leerlingen te dwingen om wat ik mooi vind, ook mooi te vinden. Ze moeten vooral open staan voor alle soorten poëzie. Ja, literaire smaak moet je ontwikkelen zoals ook Charles Ducal verdedigt in zijn Gedichtendagessay, maar wat mijn leerlingen goed vinden, is voor mij een kwestie van hun persoonlijke smaak. Als ik het Gedichtenessay van 2010 lees, ben ik als leerkracht blijkbaar slecht bezig. Als huisvader vrees ik dat de culinaire opvoeding van mijn zoontjes ook een verloren zaak is, als ik Charles Ducal mag geloven. Mijn kinderen zouden beter niet al te veel vertrouwen op hun eigen smaakpapillen om te weten wat lekker is en wat niet. Neen, daarvoor moeten we volgens Charles Ducal beter te rade gaan bij experts. Ik mag dan misschien denken dat ik weet wat voor mijzelf lekker is, maar ik zou als gerateerde keukenprins toch moeten inzien dat het oordeel van een chef in de keuken van een Michelinrestaurant oneindig veel meer waarde heeft dan mijn mening. Dat ligt toch voor de hand? Zij staan dag in dag uit in de keuken, terwijl ik niet eens het verschil ken tussen flamberen en chambreren en mijn vlees in het beste geval cremeer. Ik zal dan maar wat vaker naar Mijn Restaurant moeten kijken, zeker? Alleen zijn die chefs ook maar mensen. Je hebt hippe koks die vrolijk in de fusion keuken alles door elkaar mengen. Er bestaan behoudsgezinde koks die zweren bij traditionele recepten met degelijke producten uit grootmoeders tijd. Ondertussen zijn er zelfs alchemisten in de keuken die atomair met smaken goochelen. Allen roepen ze om ter hardst dat zij de ware chefs zijn. Niet getreurd echter. Ik vermoed dat als ik het geld zou hebben om alles eens te mogen proeven, ik het allemaal wel lekker zou vinden op voorwaarde dat de kok maar deugt. Ik vrees dat het in de wereld van de poëzie niet veel beter is. De verlichten van geest in het rijk van de poëzie spreken elkaar helaas ook tegen. Hier hebben we geen keukens, maar poëtica’s. Ook Charles Ducal heeft ondertussen zijn poëtica gekozen en dat is zijn goed recht. Hij omschrijft zijn ideale poëzie als gedichten die “de wereld in een onbekend licht” zetten, als tegengif voor “banaliteit” en “conditionering” en als een magische tekst die de lezer “bevrijdt van zichzelf”. Het is de poëtica van het modernisme. Vanuit die poëtica leest en waardeert hij gedichten. Al dan niet onbewust hebben we allemaal zo’n poëtica of een verwachtingspatroon van wat een gedicht ideaal voor ons moet inhouden. Daar is niks mis mee. Vanuit het perspectief van het modernisme is dan ook goed te begrijpen dat Charles Ducal zichzelf niet een grote fan van het nieuwrealisme noemt, want die is hem “meestal te doorzichtig”. Opnieuw is dat zijn goed recht. Het nieuwrealisme is als poëtica immers de erfvijand van het modernisme. Het is geen toeval dat hij met opzet een gedicht van Herman de Coninck citeert (zoals je binnenkwam en dag zei,) en zich snel tegen poëtische onverdraagzaamheid indekt door op te merken dat hij dit gedicht wel “lust” omdat hij in het woord “rilde” een nuance ontdekt die heel de sfeer van het gedicht onderuit haalt. Met andere woorden, dit canongedicht uit het nieuwrealisme valt nog wel mee, want het voldoet aan een vereiste van het modernisme en alleen daarom kan Ducal het als gedicht nog wel oké noemen, maar daar houdt de verdraagzaamheid dan ook op. Als modernist ligt het dan ook voor de hand dat een doorzichtig en vooral populair gedicht als “Voor een dag van morgen” van Hans Andreus een doorn in het oog van Charles Ducal is. De tekst is vrij doorzichtig en hij geeft graag ridderlijk toe dat hij zelf ook “ontroerd” was de eerste keer toen hij het las, maar het gedicht is voor hem versleten. Iets wat de bakvissen in zijn klas pas zullen ontdekken als ze waarschijnlijk zelf versleten zijn. Zijn er dan onverslijtbare gedichten? Jawel, Charles Ducal heeft hier een grote ontdekking gedaan na al die jaren van lesgeven en zelf gedichten lezen. Het zijn de hermetische gedichten die hun inhoud niet of nooit volledig prijs geven. Juist, dat zijn verrassend genoeg de gedichten die vooral thuishoren in de canon van het modernisme en van iedereen die gezien wordt als een voorloper van het modernisme. Ik twijfel er niet aan dat Charles Ducal als dichter een briljante poëzieleerkracht is. Ik ben er dan ook van overtuigd dat hij de meesten van zijn leerlingen heeft kunnen leren lezen wat er staat en wat er niet staat. Alleen, wat moet hij vaststellen? Zelfs al kunnen die leerlingen een modernistisch gedicht op een aanvaardbare manier lezen, dan nog kiezen de meesten ervoor om een poster van Hans Andreus in hun kamer op te hangen. Alsof je na een week eten in de Comme Chez Soi zou besluiten dat die hamburgers in de McDonalds toch lekkerder zijn. Onbegrijpelijk! Je hebt ze dan eindelijk geleerd om de oester open te maken. De parel ligt voor het grijpen en dan nog kiezen die dekselse leerlingen voor het klatergoud van popmuziek en sentimentele dichters genre Andreus. Is poëzieonderwijs dan parels voor de zwijnen werpen? Waarom vult Clouseau tienmaal het Sportpaleis met teksten die stijf staan van de clichés en verkoopt een gedegen dichter (lees een dichter in de traditie van het modernisme volgens Ducals poëtica) hooguit 800 exemplaren van zijn nieuwe dichtbundel? Waarom toch? Tsja, Ducal gaat zelf op zoek naar een verklaring. Dat komt omdat de mensen geen tijd willen vrij maken om “echte” dichters te lezen, of omdat ze te jong zijn om een voldoende verfijnde smaak te hebben om kwaliteit te herkennen of gewoon omdat het hen niet kan schelen. Laat ons ook niet de verloedering in de handboeken Nederlands vergeten. Er zijn leermethodes op de markt waarin “echte” dichters nauwelijks nog aan bod komen, want ook de leerkrachten Nederlands willen de moeite niet meer doen om met het betere gedicht aan de slag te gaan. Ze kiezen voor de fastfood van de popmuziek en laten jongeren zo niks nieuws meer proeven. Het is met wat. Waar gaat het naartoe? Niettemin is er hoop voor ons allemaal. Charles Ducal is ervan overtuigd dat “wie regelmatig en met een open geest poëzie leest, zijn smaak ontwikkelt en onvermijdelijk zijn onderscheidingsvermogen aanscherpt tussen wat klopt en niet klopt, wat echt en vals is, wat versleten is en niet stuk te krijgen.” ooit zal mogen inzien hoe het mooi vinden van een doorzichtig gedicht als dat van Hans Andreus een sentimentele bevlieging was of een leuk doosje was om een jeugdherinnering in op te bergen zoals hij over zichzelf schrijft, met schaamrood op de wangen, als hij het heeft over een liedje van Michael Prunier. Laat ons nog eens lezen wat er niet staat. Als een lezer een modernistisch gedicht niet weet te appreciëren, dan komt dat dus omdat zijn of haar smaak zich niet voldoende ontwikkeld heeft of omdat hij of zij zoals Marieke in de tekst niet met een open geest leest. Toch wel spijtig voor al die dichters die ‘doorzichtig’ schreven voordat de modernisten ons het licht lieten zien. Charles Ducal beschrijft hoe hij graag lesgeeft over oude gedichten. Ik ken weinig gedichten die zo doorzichtig zijn als “Kinder-lijk” van Vondel, als “Geswinde grijsaert” van Hooft en als, laat ons vooral niet vergeten, “Als de ziele luistert” van Guido Gezelle dat Ducal gretig in zijn essay citeert. Betekent dat dan dat Vondel die doorzichtige gedichten schreef, vergeten was zijn literaire smaak te verfijnen? Dat P.C. Hooft wel een vakman was, maar in het Muiderslot niet regelmatig poëzie las en enkel daar met het schorriemorrie over de pruimen in zijn tuin zat te kletsen? Dat Guido Gezelle zijn “Als de ziele luistert” op een wat mindere dag schreef en toen een “Hans Andreuske” deed, want veel verbeelding heb je toch niet nodig om deze tekst te doorgronden? Neen, natuurlijk niet. Het zijn stuk voor stuk meesters. Daarom lezen we ze nog. Alleen schreven ze vanuit een andere poëtica en Charles Ducal heeft daar als filoloog respect voor. Dat is dan ook waar ik naartoe wou gaan. Als leerlingen na al die poëzielessen een zogezegd ‘onverslijtbaar,’ hermetisch gedicht kunnen lezen, maar dat niet waarderen dan hoeft dat niet te betekenen dat al die leerlingen daarvoor nog te jong zijn, nog een onontwikkelde smaak hebben of geen moeite willen doen, maar dan zou het best kunnen dat bepaalde leerlingen (niet toevallig vaak de geïnteresseerde leerlingen) gewoon een andere poëtica hebben dan de schrijvers van deze gedichten en vanuit hun eigen poëtica lezen en poëzie waarderen, net zoals Charles Ducal dat vanuit zijn poëtica doet. Zo keer ik dan terug naar het begin van mijn pleidooi. Ik ben geen culinaire kenner, maar ik ben ervan overtuigd dat ik een maaltijd in een driesterrenrestaurant zou kunnen appreciëren zonder daarom zelf een chef-kok te moeten zijn. Ik vind dat ik als leek het recht heb om te kiezen welke stijl van keuken ik de lekkerste vind. Misschien zou ik zelfs ontdekken dat ik van alles een beetje hou. Je smaak moet je verfijnen, maar wat je lekker vindt en welke soort gastronomie je favoriete is, blijft voor mij een kwestie van persoonlijke smaak. Op dezelfde manier moeten leerlingen met gedichten leren omgaan, maar welke soort poëzie zij de beste vinden, moet hun eigen smaak zijn. Dat hangt van hun eigen poëtica af en die mogen ze zelf ontwikkelen met de bouwstenen die wij als leerkracht hun geven. Dat iemand met veel ervaring een verfijndere smaak zal hebben, betwijfel ik niet maar dat je aan leerlingen in een klas zou vertellen dat ze Hans Andreus nu nog wel mooi mogen vinden, maar dat ze later als ze hun smaak maar zouden verfijnen, wel zullen ontdekken dat Voor een dag van morgen toch maar sentimenteel gedoe was, vind ik onrechtvaardig. Eigenlijk is de voornaamste reden dat Charles Ducal dit gedicht niet mooi vindt, immers zijn modernistische poëtica die hem voorschrijft dat gedichten niet onmiddellijk doorgrondbaar mogen zijn. Dat waardeoordeel is zijn goed recht, maar geen enkel individu heeft het recht om zijn smaak tot norm te verheffen. Laat ons een koe een koe noemen. Het is niet Marieke die te jong is om in te zien dat modernistische gedichten het van het zijn, maar het is Eugène die te oud is om in te zien dat er naast zijn poëtica’s nog andere poëtica’s bestaan. Het is niet Marieke die ziende blind is voor de schoonheid van het modernisme, maar Eugène die blind is voor de beeldenstorm die momenteel aan het woeden is in en buiten de wereld van poëzie. Dan denk ik niet aan de “echte” dichters, maar aan een nieuwe generatie van Nederlandstalige rappers (neen niet Diggi Dex) die als nooit tevoren met woorden jongleren, van dichter performers (neen niet Tom Lanoye) en aan ander aanstormend talent (neen niet Frans Bauer). Ze zijn onzichtbaar in het Gedichtenessay, want voor hen is er geen plaats in de poëtica van het modernisme. Het is niet de smaak van Marieke die te weinig verfijnd is om de ‘echte’ dichters te ontdekken, maar de smaak van Eugène die veel te verfijnd geworden is en zo te wereldvreemd werd voor de poëzie die immer van gedaante verandert. Het is Eugène die vastroestte in een poëtica van een vorige eeuw die ooit revolutionair was, maar die nu als mainstream poëtica in de literaire kritiek iedere vorm van revolutie in de poëzie of in het poëzieonderwijs lam legt. Alle goede poëzie dateert van vandaag, maar poëtica’s helaas niet. Koen Van Cauwenberge
Last update 31.03.2010 |
||
| Copyright 2005 All rights reserved: Project X 2002 Koen Van Cauwenberge | |||